Niet weten wat je weet

Na een half jaar mezelf bezig te houden met onderwijsontwikkeling heeft het management een aantal weken een andere keuze gemaakt. Door een telfout rondom FTE’s (aanstellingen) was het nodig volgens hen om mij weer een mentorgroep te geven. Dat deed pijn. Zeker omdat ik bezig was met een stijgende lijn v.w.b. het leerniveau van leerlingen. Het gepersonaliseerd leren kreeg meer en meer vorm. Nu dus weer voor de klas.

Op zichzelf staand geen probleem zou je denken. En toch. Het voelt al weken als een worsteling. Dit omdat de klas waarin ik mijn visie op pedagogiek en onderwijs mag delen geen groep is. Het zijn individuen, allen met individuele behoeften. Zo ver uiteenlopend dat het waarborgen van een basisveiligheid mijn collega’s niet is gelukt. Ja. De leerlingen lijken zich veilig te voelen. Dit omdat bij een aantal de thuissituatie zo schrijnend is dat onze school de enige plek is waar zij zich in ieder geval nog een beetje veilig voelen.

Een uitdaging dus. Tegelijkertijd ook een uitdaging waartegen ik mij heb verzet. Dit omdat mijn stijl van lesgeven en pedagogisch statement lijnrecht tegenover die van mijn collega staat. Dit omdat deze taak mij in de schoenen geschoven is, zonder overleg. En ja, dat is het argument ‘stichtingsaanstelling’ te makkelijk!

Mijn uitdaging de afgelopen weken was het zichtbaar maken van wat na een half jaar nog steeds niet orde is. Een onwerkbare situatie waarbij de leerlingen enkel hangen aan de aanpak van mijn collega. Ogenschijnlijk niet erg, zeker niet als mijn collega fulltime werkt. Maar het feit dat ik twee dagen de opdracht ‘contact voor contract’ mag uitvoeren past mij niet!

Een zeikblog tot nu toe? Ja, zo kun je het lezen. Voor mij is het gedachten ordenen. Want, ik ben ergens achter gekomen. Vorig jaar werkte ik ook een half jaar naast deze collega. Het wat een zwaar jaar. Er waren veel pijnlijke en leermomenten. Twijfels over mijn stijl van lesgeven. Ik voelde me niet meer vrij. Niet meer veilig. Ik voelde me precies zoals ik me nu voel. Alleen er is één verschil: vorig jaar kon ik mijn vinger niet op de zere plek leggen. Nu doe ik dat.

Sterker: het is mij nu duidelijk dat onze kennis, ervaring en nogmaals pedagogisch statement mijlen ver uit elkaar liggen. Niet erg, zeker niet als leerlingen de verschillen en overeenkomsten begrijpen. Alleen is dit niet het geval. ‘Leerlingen geven aan voor mij te werken,’ is wat ik te horen kreeg. Een stagiaire vult aan: ‘ik zet ook wel eens een vuilniszak voor mijn moeder buiten. Niet iedereen heeft zin in wiskunde, dan is het toch mooi dat je het voor je leerkracht kan doen?’

Nee! Schrijnend zelfs.
Ja. Wanneer er een pedagogische visie achter zit. Dan leren leerlingen zich ook loyaal op te stellen naar andere leerkrachten. En precies dat gebeurt niet. Sterker, het maakt niet uit wie er voor de groep staat, behalve mijn collega, en het is heibel. Schrijnend dus.

Zelf ben ik iemand die leerlingen vanuit een natuurlijk gevoel van autonomie ruimte geef om succeservaringen te ontdekken, hun gevoel van competentie. En ja, dat doe ik vanuit de relatie! Alleen, als de relatie is opgebouwd uit verschillende individuele afspraken die compleet indruisen tegen de schoolregels en pedagogische visie onder deze regels en afspraken ben ik aan het zeilen op een woeste zee zonder hoofdzeil.

En of er verschillende gesprekken gevoerd zijn. Het blijft helaas hangen in een praktische vorm. Als voorbeeld: pas na een half jaar was de klassenmap met routines op orde. Nadat op mijn eerste dag NIETS klaar lag, was overgedragen en geen enkele vorm van communicatie had plaatsgevonden. Zwemmen werd het.

Gelukkig heb ik al mijn zwemdiploma’s en ben ik ontspannen de dagen doorgekomen. Laveren en het toelaten van mobiele telefoons als redding. Een pedagogisch, didactische visie over het gebruik van deze mobieltjes ontbreekt…
Een week later was het zwaarder halen. Verwachtingen zoals Vygotsky ze ooit eerder heeft weggezet stuitte op veel weerstand. Wat dit zijn en waren ze niet gewend. Begrijpelijk. Alleen: wat is mijn taak? Mijn rol? Zoekend ben ik. Weer. De twijfel van vorig jaar kwam weer terug. Alleen nu kon en kan ik onderbouwen waarom ik deze klas niet ‘plots klaps’ wil draaien: er is geen basis!

Waar ik heel blij mee ben zijn collega’s die samen met mij zichtbaar maken. Ik ben blij dat ik een aanzet heb kunnen maken. Tegelijkertijd weet ik nu dat het gebrek aan veiligheid in de groep een gebrek aan veiligheid in het team is. Uitspreken wat er werkelijk speelt en wat zaken werkelijk doen met mij bLIJKT lastig! Wat ik mis en nodig heb: een leidinggevende die de pedagogische visie die in de klas te zien zou moeten zijn voorleeft en uitzet binnen het team. Nu zwemmen we. Gelukkig weet ik nu wat ik eerder niet wist. En gelukkig heb ik mijn zwemdiploma’s.

Advertenties

Een nieuwe start

Wat een dag! Alsof de intentie van een dag eerder direct is ingezet. In de ochtend heerst er een zeer fijne en positieve sfeer in de groep. Iedereen werkt op zijn/haar eigen tempo aan verschillende taken. Gevoel van autonomie versterkt het gevoel van competentie zichtbaar. Mooi om te zien hoe leerlingen hun eigen verantwoordelijkheid pakken maar ook – of juist daardoor – ‘spontaan’ anderen gaan helpen.

Wanneer ik de angst over ‘verantwoordelijkheid aan leerlingen geven’ aanboor gaat deze zeer regelmatig over in een ‘ja maar wat als…’. Vandaag opnieuw de bevestiging: als ik zelf volledig beschikbaar ben in de groep zijn zij dat voor hun eigen proces en zelfs voor die van anderen.

Mijn gat in zelfvertrouwen lijkt gedicht. Het is voelbaar, zeker in vergelijking met eerder deze we(e)k(en). Er lijkt iets wezenlijk te zijn veranderd…

Niet iedereen heeft aan het einde van de dag alle geplande taken af. Werktempo en -houding zijn verschillend, juist in deze groep. Een groep met in potentie leerlingen die veel meer kunnen dan het niveau waarin ze zijn ingedeeld. Maar ook leerlingen die jarenlang gevaren hebben op gedrag en niet geleerd is wat hun talenten zijn, niet geleerd is hoe moeilijkheden te overwinnen, niet geleerd hun eigen toekomst te creëren. Ik mag dit proces ontsluieren. Ik maak bespreekbaar hoe hard er is gewerkt, wat ik zie gebeuren en geef het woord aan de leerlingen als ik hen vraag wat er nodig is om moeilijkheden te overwinnen. Er wordt hulp aangeboden, verschillende leerstijlen en -strategieën vliegen door het lokaal. Ik geniet. De veiligheid is terug!

En in deze veilige setting wordt geleerd dat ‘werk af’ een proces is, dat niet iedereen hetzelfde proces doorloopt en vooral ‘dat het volwassen is’ om hulp mag vragen. Sterker, dat door te vragen het proces en gevoel van competentie wordt versterkt!

De werkflow wordt in de middag voortgezet. Gevolgd door een leuke CKV les waar de leerlingen aan een nieuwe opdracht starten. En zelfs zij die mij bezig houdt laat vol trots haar tekening zien. Ik denk terug aan de tweede tekenles waarbij alles van tafel ging en een ‘ik kan niet tekenen’ er achteraan gegooid werd. Gegroeid is ook zij. Ze vertelt vandaag haar doel: “ik wil zo snel mogelijk naar het regulier onderwijs. Ik vind het hier maar niets. Oh, en als ik achttien ben wil ik naar LA! Dan ga ik daar wonen.”

Dromen. Groot dromen. Ik luister, bevraag haar en geniet van haar verlangen. Ik geniet nog meer van de rust en veiligheid waarin zij zichzelf ontwikkelt. Een weer maakt het me bewust dat ontwikkeling alle tijd en ruimte nodig heeft om zichtbaar te worden. En dat mij enkel ‘beschikbaar zijn’ te doen staat. Ik kan mijn best doen, aan leerlingen trekken om hun werk af te maken en ze waarderen met alleen een cijfer maar wanneer lesstof niet gemaakt wordt kunnen dat signalen zijn. Signalen waarin ik de lesstof anders aan te bieden heb, hen producent leren maken van hun eigen leerproces. Of waarop ik lesstof afstem op het proces waar zij zichzelf bevinden.

Deze week zouden presentaties gehouden worden. Niemand is zeker genoeg of klaar om hun presentatie voor de klas te houden. Tja, in gesprek en samen een nieuwe afspraak maken.

En, omdat er ruimte ontstaat: het laatste uur ‘the Yellow River‘. Een praktische oefening waarin duidelijk en zichtbaar wordt hoe moeilijk samenwerken eigenlijk is. Een prachtige oefening voor mij om leerlingen te observeren, als individu en als groep.

Een frisse neus.
Een nieuwe start.

Aside

Ouder en het niet weten

Vandaag twee oudergesprekken. Naar school gekomen om hierbij aanwezig te zijn. Twee leerlingen die moeilijk te motiveren zijn: de een door problemen met zijn prikkelverwerking, de ander laat zich ogenschijnlijk met de richting van de wind meevoeren.

“Iedere dag is het overleven. Mijn kind is zelfbepalend, overziet het grotere geheel niet en laat zich door niemand de wet voorschrijven”.

Duidelijke taal! Ik merk dat ik de onzekerheid van deze ouder voel en deel. Ook ik weet niet goed wat te doen. En dat is nieuw voor mij. Ja, redenen genoeg te bedenken:

  • ik werk nog maar twee dagen,
  • mijn visie op onderwijs van/met deze doelgroep is op een aantal fundamentele punten verandert,
  • onderwijs afgestemd op de leerlingen vraagt het faciliteren van zaken,
  • aanvliegroutes en leerkrachtstijlen tussen mij en mijn duo-collega tekenen zich af,
  • de dagen in de week zijn essentieel: vrijdag is een wezenlijk andere dag dan dinsdag en misschien is het beter om maandag &dinsdag te werken,
  • en ouderbetrokkenheid/-participatie verandert van op ‘één lijn zitten’ naar ‘wij weten het ook niet meer’.

Wanneer het welbevinden van de een sterk wordt bepaald door sensorische waarnemingen is het lastig om gefocust te blijven. Als daarbij ook nog eens een mate van voorspelbaarheid gewenst is zijn er genoeg moeilijkheden te overwinnen. Een aantal weken terug had de zus van de een het eerste uur vrij. Ze was nog niet weg. Dit was onverwachts en hierdoor liep gehele dag liep ‘in de soep’.

‘Iedere dag is het overleven’ is wat mij bezig houdt. Ik luister, merk wat het met me doet en ik word me er opnieuw bewust welke coping strategieën worden ingezet. Dit is precies wat ik voel! De ander overleeft. Maar ook ik overleef: iedere lesdag ga ik naar school en ben ik bang voor de dag. Niet weten wat de dag mij en vooral de individuen in groep gaat brengen. De wispelturigheid van gedrag, gevoed door externe factoren, maakt mijn onderwijspraktijk rauw. En soms zijn er ook dagen waarop ik mijzelf afvraag hoe ik die dag overleef.

Mijn verwonderen is dan weg. Ik stap in strategieën die niet congruent zijn met mijn visie op onderwijs. Ik leg net als hen de focus op wat niet werkt. Niet werkt voor mij. En hierdoor word ik onzeker. Weet ik soms niet wat te doen. Hun gedrag en hulpvraag resoneert hun en mijn proces.

Het eerste oudergesprek zit erop. Verder dan het delen van moeilijkheden waar ouders en ik tegenaan lopen en vragen rondom wat te doen komt het niet. Een aantal schouders de lucht in volgt. Hoe graag ik ook wil, wanneer het kind niet wil is het aan mij de taak deze ‘wil’ te ontsluieren. Mij lukt het niet. Ook mijn collega ziet meerdere momenten waarop het deze leerling niet lukt. Niets anders dan het omhelzen van de feiten moet en vertrouwen en perspectief doen groeien.

Uiteindelijk wordt er niets concreet afgesproken. Ja, dat we de tijd dat de leerling niets doet noteren. Voor de leerplicht!? Alsof een leerplicht hier iets mee doet? Alsof het de leerling gaat motiveren wel iets te doen?

Op mijn weg terug naar huis reflecteer ik de ochtend. De gesprekken, maar vooral dat waar ik tegenaan loop. Twee dagen in de groep. Het lijkt in deze tak van sport haast onmogelijk. Althans mij en op dit moment. Misschien moet ik groeien in mijn rol? Is dit waar iedere parttimer tegenaan loopt? Ik leg me niet neer bij de rol van ‘invaller’! Ik ben een volwaardig docent, ken mijn kwaliteiten, mijn talenten en wil van waarde zijn. En in die twee dagen moet het mogelijk zijn een ‘de wil’ te ontsluieren. Ik schuur aan de grenzen van mijn kunnen en denk terug aan mijn pedagogisch statement: iedereen is welkom, wordt gehoord, wordt gezien en iedereen ontwikkelt.

Er is door mijn twee werkdagen wellicht (en blijkbaar) meer tijd en ruimte nodig om ‘de wil’ bij een aantal leerlingen te ontdekken. De relatie als vehicle. Vorming van ‘wie ben ik’ en ‘hoe verhoud ik me tot anderen’ heeft nu voorrang. En die ruimte kan ik ze geven, maar ik heb alleen niet het gevoel dat deze ruimte schoolbreed wordt gedragen. En precies daar zit mijn weerstand. Weerstand omdat ik niet weet dat het enkel míjn wens en verlangen is. Of moet ik dit maar loslaten? Accepteren als weten dat ik het soms ook niet weet. Voelen dat in het niet weten mijn weten schuilt.

Wat ik nodig heb? Backup. Althans, ik noem het backup: ruimte om te bouwen met leerlingen. Te bouwen aan de relatie met en tussen leerlingen. Ruimte om in de klas van mijn collega mee te kijken. Want als ik niet de ruimte pak kan ontkoppeling een valkuil zijn. Raak ik mijn kwetsbaarheid kwijt. Mijn verwonderen. En juist nu, in deze situatie is het mezelf kwetsbaar opstellen wat mij doet reflecteren op wat ik doe. Mijn aanpak evalueren of ik congruent vanuit mijn onderwijs-pedagogische visie handel.li

Tijd om dit open te gooien en te delen! Van overleven naar LEFen. Zo verschillend zijn mijn leerlingen en ik nog niet…

Aside

De spiegel en kwetsbaarheid

In de ochtend een gesprek met een collega. Openhartig. Ik hoor dat mijn visie, mijn groei en ingezette acties een onzekerheid voedt. Ik heb het vaker gehoord. Ik deel mijn idee dat deze onzekerheid enkel projectie is. Dat ik een veilige spiegel mag zijn om te zien waar deze collega nu zelf doorheen gaat. Het overwinnen van onzekerheden en staan voor diens eigen visie. Een verlangen.

Ergens maakt het delen van deze onzekerheid mij weer onzeker. Het schuurt aan oude pijn. Ik voel mezelf ergens wegglijden, de pijn die mijn onzekerheid zo lang heeft gevoed. Doe ik iets niet goed dan? Dat. Tegelijkertijd ben ik me in het moment er bewust van dat ik mezelf voel wegglijden. Dat beseffende kan ik dus ook een andere keus maken. Nu.

Ik twijfel en besluit even stil te zijn. Om te voelen of dat wat gezegd wil worden ook daadwerkelijk gezegd ‘moet’ worden. Ik overdenk mijn gedachten en alles wat ik zou willen zeggen. Alles dat gezegd wil worden voelt als een ladder om uit de kuil te kruipen. Ik kies ervoor om even niets te zeggen. De woorden dragen uiteindelijk niet bij aan de openhartigheid van dat waar mijn collega mee worstelt. Ik neem perspectief, herken het gevoel en hoef er niet in mee te gaan. Bevrijdend. En het is deze vrijheid waarin ik haar kan ontmoeten.

Mijn valkuil in het nemen van perspectief is het vereenzelvigen. Afstemmen heeft voor mij het gevaar in zich mee te gaan in de energie van de ander. Ik neem dan over, ga dan ‘zorgen voor’ in plaats van ‘ondersteunen’. Natuurlijk is het goed dat ik ook een bepaalde zorg voel, dat ik resoneer op de energie van de ander en/of kan invoelen. Mijn grootste uitdaging is vanuit stilte mijn intentie weg te zetten en het vertrouwen haar werk te laten doen. En vooral: niet te snel willen gaan!

Deze collega worstelt, worstelt met zichzelf en worstelt met het ‘verhouden van zichzelf tot de ander’. Hoe ik me verhoud tot mijn collega start bij hoe dicht ik bij mezelf kan blijven. Ik luister, volg de worsteling en vanuit een veilige kwetsbaarheid ontstaan de antwoorden voor mijn collega als vanzelf. De spiegel doet ons samen groeien, verder brengen en er ontstaat een nieuwe werkelijkheid: we delen beiden waar we mee bezig zijn en wat ons verlangen is. Vanuit een gedeelde visie zetten we nieuwe intenties de wereld in.

Eén van die intenties is het verder brengen van de waarden binnen Flipping The Classroom. Sinds ik het leren rondom wiskunde heb omgedraaid is er een openheid in de groep ontstaan. Kan mijn focus naast de stof worden gericht op de relatie met de leerling. Is er bij de leerlingen het besef dat er ruimte is voor vragen. Draagt individuele aandacht bij aan het versterken van de basisveiligheid. En precies dat willen mijn collega en ik verder brengen, binnen school en binnen de stichting.

Wordt vervolgd.
Vast.
Ooit.

Regel zelf je niveau

Vorig schooljaar stapte hij als eerstejaars leerling de school binnen. Een opmerkelijke verschijning. Omdat hij is zoals hij is. Eigen. Een jongen die niets anders dan zichzelf kan zijn. En toch ergens anders dan de rest. Tegelijkertijd precies hetzelfde: een onuitputtelijke drive om te willen leren, met een eigen wijsheid en een eigen blik op de wereld.

Jaren eerder, zo vertelt moeder, wordt bij het medisch kinderdagverblijf gezegd dat zij als ouders maar niet een te hoge verwachting moeten hebben van haar zoon. Als een heipaal stevig in de grond, zo niet in het beton gegoten.

Het pad naar het speciaal onderwijs dus. Een uitstroomperspectief van  in eerste instantie praktijkonderwijs. Een school waar je wordt toegelaten als je een IQ lager dan 70 hebt. Hij werd getoetst, meerdere malen. Een twijfel: zijn voorkomen en betere resultaten. Hij mocht daarom op onze school en startte een jaar eerder op BBL/KBL-niveau.

Voor ons werd al snel duidelijk dat deze jongen meer in zijn mars had. Véél meer. Met een werkhouding als die van een ‘reguliere’ leerling werkte hij hard aan zijn eigen leerproces. Met een focus een duidelijk doel: eruit halen wat erin zit. Hij leek er geen enkele moeite mee te hebben. Hij was en is zichzelf. De authentieke wil om te leren ontsluiert.

Dit jaar zit hij opnieuw bij mij in de klas. Het maakt mij blij. Dit omdat ik het voorrecht heb om zijn ontwikkeling te mogen volgen. Om samen met twee sterke ouders onderdeel te zijn in zijn groei. Sterke ouders omdat zij hem zien, volgen en voeden. Hem over drempels helpen, grenzen verleggen en dat alles met liefdevolle aandacht.

In ClassDojo krijg ik een bericht van zijn moeder om het gesprek van vanmiddag te bevestigen. Eerder deze week is hij al naar mij toegekomen met de boodschap: “jij moet een gesprek plannen!?” Ik moest er van binnen hard om lachen. Natuurlijk wilde hij een vraag stellen. Maar soms is een vraag stellen moeilijker dan een ander in beweging te brengen. Ik legde de verantwoordelijkheid terug bij hem.

“Wat maakt dat ik een gesprek zou ‘moeten plannen’?”
“Nou, ik wil naar TL en jij moet een gesprek plannen met mijn ouders.”
“Ah, wat een mooi verlangen. Wat nu als ik jou de opdracht geef om dit gesprek te organiseren? Het gaat tenslotte over jou. Toch?”

Zijn vragende blik ontvang ik. Op zijn non-verbale ‘nee’ op mijn hoe-vraag vervolg ik met een stappenplan. Kort, simpel en duidelijk te nemen stappen. Hij zet ze en vandaag hebben we na school een afspraak met elkaar: zijn ouders, mijn duo en hijzelf.

Voor me zitten trotse ouders die meer dan blij zijn met het initiatief, zijn initiatief. Maar ook blij met zijn ontwikkeling en groei. Vol trots luisteren ze naar hun zoon die het gesprek voert. Hij deelt zijn verlangens en onderbouwt zijn wens met eerder behaalde resultaten en reflectie. Zijn wens weigeren wordt onmogelijk gemaakt.

Hij leert zijn eigen toekomst creëren.

Aan ons, mij als leerkracht en net als zijn ouders, hem te volgen. Het is aan mij om hem te blijven uitdagen, op zoek naar de grens van zijn kunnen die zich steeds lijkt te verplaatsen. De grens die zich vanuit veiligheid, tijd en ruimte laat oprekken. Een brede horizon met opkomende zon verlicht het onontgonnen gebied. Het beton van ooit maakt plaats voor een voedzame bodem.

De wandeling

Als hij in de ochtend binnen komt en op zijn plek gaat zitten kijkt hij naar het bord. Iedere dag doet hij dit. Zijn eigen routine: binnen komen, zijn oortjes oprollen, jas uit, zitten en het rooster van de dag bekijken. Vandaag is hij het bekijken van het rooster voor.

“Ik heb geen zin in verzorging!”

Aan zijn toon hoor ik dat het totaal geen zin heeft om hier op in te gaan. Hij heeft zijn keuze al gemaakt. Met een glimlach en een knipoog ontvang ik zijn opmerking en gebaar hem even in stilte iets voor zichzelf te doen. Dit om niet zijn eigen onrust verder te doen laten groeien. Ook hij ontvangt.

Wanneer in de middag het blokuur verzorging is aangebroken en de vakdocent de leerlingen meeneemt blijft hij zitten. De docent had ik al ingelicht en zodoende vervolgt hij zijn les. Hij kijkt me wat vragend aan. Zijn blik verandert in verwondering als ik mijn jas pak en deze aan doe.

“Kom, doe je jas aan. We gaan even een stuk lopen.”

Hij staat op, pakt zijn jas en loopt achter mij aan. Een verandering als deze leek hij eerder niet te kunnen handelen. Vandaag is anders. Eerder zette hij de intentie om niet naar verzorging te gaan. Ik kan dan op mijn kop gaan staan, maar het niet in beweging krijgen van hem is zowel een talent als valkuil. Vastberaden is hij! Een kwaliteit, alleen in het onderwijs vaak onbegrepen.

Buiten lopen we van het schoolplein af en richting het park. Naast wat algemene en persoonlijke vragen snijd ik voorzichtig het vak verzorging aan. En belangrijker, zijn drijfveren om niet naar verzorging te willen. In eerste instantie lijkt het erop dat het om het vak gaat. Maar na doorvragen komt naar boven dat het de docent is wat hem weerhoudt.

Een week eerder is hij gefixeerd. Door een woede-uitbarsting onbeweeglijk vastgezet. En de vakdocent is het die met zijn handen van hem af had moeten blijven. Ik voel zijn woede opnieuw opkomen. Ik vraag door, maar dan naar de aanleiding. Zijn woede zakt en maakt plaats voor onbegrip

.“Ja, ik moest van de meneer naar huis, omdat ik niets wilde doen. En omdat ik druk was. Oké, dat is prima, dus ik ben gegaan. Komt de meneer achter mij aan en zegt hij dat ik terug moet komen. Daar begrijp ik dan niets van. Waarom stuurt hij me weg en haalt me dan weer terug? … Ik ga op mijn plek zitten, maar ik ben dan nog niet direct rustig. Hij gaf me gewoon geen kans. De eerste keer dat ik wat zei moest ik weer vertrekken. Dat deed ik niet. Eerst moest ik weg, dan weer terug en nu weer weg. En toen belde hij de ‘vakdocent’. Hij pakte mij vast en toen werd ik boos!”

Dus eigenlijk was het de onduidelijkheid die voor ruis heeft gezorgd. Het is niet de vakdocent maar het niet kunnen begrijpen van het weg-terug-weg-gepingpong. Hij beaamde dit en langzaam vielen er voor hem puzzelstukjes op zijn plek. Ik vertel hem dat we nog maar een aantal weken met hem werken, hij al een leven lang met zichzelf. Het kost ons tijd hem te leren kennen en hij ons.

Terwijl we verder lopen vertelt hij over zijn verlangen. De zaak van zijn vader overnemen is duidelijk niet zijn wens, iets in de economie wel. Ook daarom vindt hij verzorging maar niets.

Een idee plopt op. Op onze terugweg lopen we naar de hoofdlocatie. Binnen zoeken we de docent economie en lopen zijn lokaal binnen. De les is daar net afgelopen en zodoende heeft de man ruimte om naar zijn verhaal te luisteren. We bedenken samen een opdracht: vanuit dat wat bij verzorging gemaakt wordt koppelen we een economie-opdracht. Een grote lach verschijnt op zijn gezicht. Perspectief.

Een wandeling. Een moment om samen elkaar te leren kennen en verlangens te horen. Een wandeling als inzet om onderwijs af te stemmen op behoeften van leerlingen. Een mooi pad tekent zich voor hem uit.

Fouten

Na de middagpauze lopen een aantal leerlingen onrustig het lokaal binnen. Dat wat buiten is gebeurd versterkt de frustratie, verhoogde staat van arousal van één van hen. Frustratie dat wordt gebotvierd op hem.

Hem, een jongen die het heel lastig vindt om een relatie aan te gaan. Al vroeg in zijn jeugd geen thuis. Geen contact met familie. Een tante ziet hij eens per jaar, omdat anderen dat nodig vinden. Vele pleeggezinnen en woongroepen heeft hij al gezien en beleefd. Een basisveiligheid mist hij, loyaliteit naar ouders lijkt verdampt. Loyaliteit naar iedereen overigens. Vertrouwen trouwens ook, en dan vooral in zichzelf. Recentelijk kwam daar ook nog eens landelijke media overheen.

En dan zit hij op een school. Zelf geen inspraak, moeite met leren omdat hij anders leert, hij heeft meer tijd nodig en alle moeite om zijn gedachten te blijven ordenen. Maar bovenal, voor wie of wat leert hij? Ja, voor zichzelf. Maar wie is dat?

Ook zit hij in een klas waar anderen moeite hebben niet ontkoppeld te raken van zichzelf. Anderen die ook, maar op en vanuit totaal verschillende invalshoeken, moeite hebben te leren en met sociale omgang. En nu dus weer hij tegen hem.

Het resulteert in schreeuwen door de klas, versterkt door anderen die zichzelf en hun emoties moeilijk kunnen reguleren. Moeite met het in goede banen leiden van hun ‘woede’. ‘Hem’ is enkel een makkelijk ‘slachtoffer’ om alles wie hij is. Hij is gelukkig al zo ver dat hij de schreeuwers negeert.

Het leidt nu alleen tot extra woede.

Een van de schreeuwers is de bron van de onrust. Als ik me tot deze schreeuwer richt voel ik eigenlijk direct dat enig gesprek lastig gaat worden. Het coachen in het leren maken van positieve keuzes en het reflecteren in het omgaan met ‘de zelf’ lijkt onmogelijk. Als een tijdbom die intern niet weet hoe lang de tijd nog tikt.

De schreeuwer loopt naar hem toe. Hij had net een koek in zijn mond gestopt, vergeten te eten in de pauze was het argument. Tegelijkertijd leek hij het tikken van de bom ook te voelen. Wanneer de schreeuwer boven hem staat te schreeuwen dat hij na de pauze niet meer mag eten, klinkt er een: “oké!” Met een lach lijkt hij de schreeuwer te volgen. Niets is minder waar, want een volgende hap wordt genomen. Het lont van de bom wordt aangestoken en de schreeuwer grist de koek uit diens hand. Met een zwiep beland dat wat is overgebleven van de koek op een bed van weggegooid afval. Het geluid van de rand van de vuilnisbak resoneert door het lokaal.

Ik besluit de tikkende bom tot ontploffing te brengen. Dit om de veiligheid van de schreeuwer en de groep te waarborgen. Tijd om het lont wat extra snelheid mee te geven.

“Beter blijf je van andermans spullen af. Volgens mij werkt dat voor jouw spullen ook zo!?”

Een duidelijke verwachting en een poging om de schreeuwer een laatste keer tot reflectie aan te zetten. Meestal werkt het ook om wat te zeggen, in dit geval ‘de manier waarop’, wat niet wordt verwacht. Om te verwarren. Dit keer draait hij niet bij. Het snellont stevent op mij af. Er komt iets uit met dat hij niet zo wenst aangesproken te worden. Ik hoor mezelf nog iets zeggen als iets met ‘het goede voorbeeld geven’ en voor ik het weet vlieg ik door het lokaal.

De schreeuwer schrikt van zijn actie en snelt het lokaal uit. Onderweg schopt hij nog een kastdeur en veiligheidsglas kapot. Hij weet dat hij grenzen over is gegaan. En hij weet nu ook dat het veilig genoeg is zijn eigen gevoel van onveiligheid op een andere manier te uiten. Om na zijn fouten te oefenen. Oefenen verantwoordelijkheid te dragen voor gevoelens die niet van hem zijn. Energie die buiten het lokaal mag blijven. Bemoeienis die niet enkel over regels gaan.

Klasgenoten zijn geschokt, geschrokken. Onbegrip ont-moet begrip. Er ontstaat een open gesprek: “ik begrijp hem wel ergens. Hij vindt het moeilijk om zijn eigen fouten toe te geven. Maar het toegeven van fouten is niet stom. Het gaat niet over winnen, maar dat je ‘volwassen’ om kan gaan met de situatie.”

Een wijze les. In stilte geniet ik van de intentie die deze jongen neerzet! Na zijn betoog kijkt hij me aan. Hij lijkt bevestiging te zoeken. Met een glimlach herhaal ik kort wat ik hoor: oefenen in het leren maken van fouten, het ontleren van dat alles maar goed moet zijn. Het vraagt MOED, de moed je kwetsbaar op te stellen. En soms, soms doet dat nog pijn.