De wandeling

Als hij in de ochtend binnen komt en op zijn plek gaat zitten kijkt hij naar het bord. Iedere dag doet hij dit. Zijn eigen routine: binnen komen, zijn oortjes oprollen, jas uit, zitten en het rooster van de dag bekijken. Vandaag is hij het bekijken van het rooster voor.

“Ik heb geen zin in verzorging!”

Aan zijn toon hoor ik dat het totaal geen zin heeft om hier op in te gaan. Hij heeft zijn keuze al gemaakt. Met een glimlach en een knipoog ontvang ik zijn opmerking en gebaar hem even in stilte iets voor zichzelf te doen. Dit om niet zijn eigen onrust verder te doen laten groeien. Ook hij ontvangt.

Wanneer in de middag het blokuur verzorging is aangebroken en de vakdocent de leerlingen meeneemt blijft hij zitten. De docent had ik al ingelicht en zodoende vervolgt hij zijn les. Hij kijkt me wat vragend aan. Zijn blik verandert in verwondering als ik mijn jas pak en deze aan doe.

“Kom, doe je jas aan. We gaan even een stuk lopen.”

Hij staat op, pakt zijn jas en loopt achter mij aan. Een verandering als deze leek hij eerder niet te kunnen handelen. Vandaag is anders. Eerder zette hij de intentie om niet naar verzorging te gaan. Ik kan dan op mijn kop gaan staan, maar het niet in beweging krijgen van hem is zowel een talent als valkuil. Vastberaden is hij! Een kwaliteit, alleen in het onderwijs vaak onbegrepen.

Buiten lopen we van het schoolplein af en richting het park. Naast wat algemene en persoonlijke vragen snijd ik voorzichtig het vak verzorging aan. En belangrijker, zijn drijfveren om niet naar verzorging te willen. In eerste instantie lijkt het erop dat het om het vak gaat. Maar na doorvragen komt naar boven dat het de docent is wat hem weerhoudt.

Een week eerder is hij gefixeerd. Door een woede-uitbarsting onbeweeglijk vastgezet. En de vakdocent is het die met zijn handen van hem af had moeten blijven. Ik voel zijn woede opnieuw opkomen. Ik vraag door, maar dan naar de aanleiding. Zijn woede zakt en maakt plaats voor onbegrip

.“Ja, ik moest van de meneer naar huis, omdat ik niets wilde doen. En omdat ik druk was. Oké, dat is prima, dus ik ben gegaan. Komt de meneer achter mij aan en zegt hij dat ik terug moet komen. Daar begrijp ik dan niets van. Waarom stuurt hij me weg en haalt me dan weer terug? … Ik ga op mijn plek zitten, maar ik ben dan nog niet direct rustig. Hij gaf me gewoon geen kans. De eerste keer dat ik wat zei moest ik weer vertrekken. Dat deed ik niet. Eerst moest ik weg, dan weer terug en nu weer weg. En toen belde hij de ‘vakdocent’. Hij pakte mij vast en toen werd ik boos!”

Dus eigenlijk was het de onduidelijkheid die voor ruis heeft gezorgd. Het is niet de vakdocent maar het niet kunnen begrijpen van het weg-terug-weg-gepingpong. Hij beaamde dit en langzaam vielen er voor hem puzzelstukjes op zijn plek. Ik vertel hem dat we nog maar een aantal weken met hem werken, hij al een leven lang met zichzelf. Het kost ons tijd hem te leren kennen en hij ons.

Terwijl we verder lopen vertelt hij over zijn verlangen. De zaak van zijn vader overnemen is duidelijk niet zijn wens, iets in de economie wel. Ook daarom vindt hij verzorging maar niets.

Een idee plopt op. Op onze terugweg lopen we naar de hoofdlocatie. Binnen zoeken we de docent economie en lopen zijn lokaal binnen. De les is daar net afgelopen en zodoende heeft de man ruimte om naar zijn verhaal te luisteren. We bedenken samen een opdracht: vanuit dat wat bij verzorging gemaakt wordt koppelen we een economie-opdracht. Een grote lach verschijnt op zijn gezicht. Perspectief.

Een wandeling. Een moment om samen elkaar te leren kennen en verlangens te horen. Een wandeling als inzet om onderwijs af te stemmen op behoeften van leerlingen. Een mooi pad tekent zich voor hem uit.

Aside

Ondernemend onderwijs

Op een maandagochtend buiten de deur. De gemeente Breda nodigde Jong Ondernemen en Stichting Buitenkans uit om leerkrachten en leidinggevende uit verschillende onderwijsorganisaties te inspireren. Om samen inzicht te vergaren waar ‘we’ als onderwijs staan, welke visie mijn stichting heeft op het gebied van ondernemen, waar de school staat en hoe ik me als leerkracht verhoud in dit geheel.

Het is een feit dat onze maatschappij een bijzondere transitie doormaakt. Zo bijzonder dat verschillende iconen roepen dat het onderwijs van nu belangrijke te leren vaardigheden lijkt te missen. Vaardigheden die onze kinderen nodig hebben om in de toekomst hun future jobs te kunnen uitvoeren. Ze worden 21th Century Skills genoemd, of ook wel Basic Skills. Vandaag gaat het over ondernemerschapskills binnen het onderwijs. Het wordt een dag vol vragen.

De eerste gaat over wat en hoe we de leerlingen leren en opleiden voor de toekomst. Over wat daar voor nodig is. Een tweede gaat over competenties. Want als ondernemerschapskills nodig zijn bij kinderen en jongeren, welke competenties vraagt dit dan van hun leermeesters en dus mij als leerkracht?

We zijn los en direct wordt mijn doel helder: inspiratie opdoen en weten waar ik ‘sta’ voor wat betreft ondernemen in het onderwijs.

Sinds het begin van dit jaar (en eigenlijk al een jaar eerder) ben ik samen met een groep onderwijzigers gestart met het vormgeven van een particuliere school: de Dutch Innovation School, kortweg de DIS. Een persoonlijk ontwikkelingstraject waarbinnen onze gezamenlijke visie samen komt bij het woord ‘interconnectiveness’. Door zo volledig mogelijk verbonden te zijn met jezelf en je omgeving als geheel kun je contact maken met dat wat je drijft.

Iets eerder dan de start van de DIS ging ik op avontuur met collega Florus. Samen schreven we een ‘nieuw’ concept om ons onderwijs vorm te geven. Ondernemen binnen een bestaand systeem, vanuit cross-over visies zoals Big Picture, Essential School, Montessori, Covey en TheoryU.

Ondernemendheid genoeg zou je denken.

Maar hoe ziet nu een ondernemende school eruit? Als groep zijn we het er over eens dat je hele leven voor één baas werken van 9u-17u voor velen niet meer van deze tijd is. Onderzoek blijkt zelfs uit te wijzen (bron niet paraat, sorry) dat velen in een leven 10 verschillende banen hebben. Hoe leidt een school op voor multipotentialite-skills?

Volgens mij start een ondernemende school bij een duidelijke visie en missie. Om vervolgens ruimte te bieden voor ondernemerschap van leerkrachten. Als docent ben je leermeester en voorleef je dus ‘the why‘ en hoe je kinderen de wereld in wil zetten. Je bent een inspiratiebron voor je leerlingen. En het is ook belangrijk dat het onderwijs inspeelt op ‘de branche’. En ergens klinkt dit laatste punt nog wat vaag. Want hoe kun je voorlopen op wat nog gaat komen? Hoe pas je een school aan op wat nodig is?

De school uit! Een verbinding creëren met het bedrijfsleven, waardoor talenten van leerlingen zichtbaar worden, worden ontdekt, versterkt en leerlingen leren in welke context zij het best kunnen werken. Interconnected dus!

Wat het vraagt van ondernemende leerkrachten? Buiten de kaders denken! Een beroep doen op je lef. De moed om los van teams het onontgonnen gebied buiten de status quo te ontdekken. Practice what you preach, zoals hierboven al kort is aangestipt. Zelf dus ondernemend zijn, de kracht van de twijfel aanspreken en flexibel handelen. Creativiteit aanspreken met een ‘alles is mogelijk’-mentaliteit. Fouten durven maken: trail and error, starten, op je bek gaan en doorontwikkelen. Van leerlingen en studenten actieve producenten ‘maken’, met duidelijke doelen. Buiten het ‘doe maar normaal’ durven denken, voorbij het omdenken. Andersomdenken! Werken met en in projecten. Samen met oud-leerlingen/-studenten die verbonden worden aan de opleiding binnen school.

Ik geloof in de ondernemende leerkracht die zijn eigen opleiding creëert. Leermeesters die over 5 jaar zelf worden gekozen door de leerling van dan. Mijn kinderen nu. En dan zomaar wat vragen die bij me opkomen:

Hoe ziet mijn student er over 5 jaar uit?
Wat verwacht hij/zij van mij als leerkracht?
Hoe dacht ik in 2010 hoe de leerling/student nu zou leren?
Hoe ziet mijn school eruit?Hoe ziet onderwijs er over vijf jaar uit?
Wat moet een docent over 5 jaar kunnen en kennen?

Een eerste brainstorm levert ogenschijnlijk holle begrippen op. Maar voor mij wordt het echter steeds duidelijker waar mijn innerlijk kompas mij naartoe leidt. Wanneer ondernemen, onderzoeken, presenteren en communiceren belangrijke pijlers is het belangrijk om als school:

  • perspectief te bieden vanuit een concrete context,
  • het vormen van en de vorming van de leerling als de essentie te zien en er naar te handelen, zowel voor wat betreft gedrag als ook samenwerking en sociale interactie,
  • iedereen contact te leren maken met hun eigen verantwoordelijkheid voor het leren binnen ieders individuele proces, de ontwikkelmotor van iedere lerende blijven voeden,
  • de multifunctionaliteit en potentieel van leerlingen te ontsluieren en hen leren hoe zij met hun potentieel van waarde kunnen zijn.

En ik? Mijn taak wordt het om vanuit een coachende rol leerlingen ervaringsgericht te laten leren en ontdekken. Het vraagt kwetsbaarheid en onvoorwaardelijk vertrouwen in het proces dat ik aanga met mezelf, de leerlingen en diens ouders. Leerlingen leren wat eigenaarschap is. En tegelijkertijd gebruik maken van de netwerksamenleving waarin we leven. Het leren van leraren waarvan je wil leren. Apprenticeship. Als leerkracht zichtbaar zijn en bewust zijn van waar mijn kracht en mogelijkheden liggen. En ‘weten’ wat ik nog te leren heb.

Als laatste krijgen we een tool mee: het Effectuation Canvas. Het doet me denken aan het Business Model Canvas You waar we gebruik van maken bij de DIS. Mijn verlangen is om deze vorm op te pakken en ook binnen ons team dit model te brengen. Wellicht een hele onderneming. We zullen zien…

Fouten

Na de middagpauze lopen een aantal leerlingen onrustig het lokaal binnen. Dat wat buiten is gebeurd versterkt de frustratie, verhoogde staat van arousal van één van hen. Frustratie dat wordt gebotvierd op hem.

Hem, een jongen die het heel lastig vindt om een relatie aan te gaan. Al vroeg in zijn jeugd geen thuis. Geen contact met familie. Een tante ziet hij eens per jaar, omdat anderen dat nodig vinden. Vele pleeggezinnen en woongroepen heeft hij al gezien en beleefd. Een basisveiligheid mist hij, loyaliteit naar ouders lijkt verdampt. Loyaliteit naar iedereen overigens. Vertrouwen trouwens ook, en dan vooral in zichzelf. Recentelijk kwam daar ook nog eens landelijke media overheen.

En dan zit hij op een school. Zelf geen inspraak, moeite met leren omdat hij anders leert, hij heeft meer tijd nodig en alle moeite om zijn gedachten te blijven ordenen. Maar bovenal, voor wie of wat leert hij? Ja, voor zichzelf. Maar wie is dat?

Ook zit hij in een klas waar anderen moeite hebben niet ontkoppeld te raken van zichzelf. Anderen die ook, maar op en vanuit totaal verschillende invalshoeken, moeite hebben te leren en met sociale omgang. En nu dus weer hij tegen hem.

Het resulteert in schreeuwen door de klas, versterkt door anderen die zichzelf en hun emoties moeilijk kunnen reguleren. Moeite met het in goede banen leiden van hun ‘woede’. ‘Hem’ is enkel een makkelijk ‘slachtoffer’ om alles wie hij is. Hij is gelukkig al zo ver dat hij de schreeuwers negeert.

Het leidt nu alleen tot extra woede.

Een van de schreeuwers is de bron van de onrust. Als ik me tot deze schreeuwer richt voel ik eigenlijk direct dat enig gesprek lastig gaat worden. Het coachen in het leren maken van positieve keuzes en het reflecteren in het omgaan met ‘de zelf’ lijkt onmogelijk. Als een tijdbom die intern niet weet hoe lang de tijd nog tikt.

De schreeuwer loopt naar hem toe. Hij had net een koek in zijn mond gestopt, vergeten te eten in de pauze was het argument. Tegelijkertijd leek hij het tikken van de bom ook te voelen. Wanneer de schreeuwer boven hem staat te schreeuwen dat hij na de pauze niet meer mag eten, klinkt er een: “oké!” Met een lach lijkt hij de schreeuwer te volgen. Niets is minder waar, want een volgende hap wordt genomen. Het lont van de bom wordt aangestoken en de schreeuwer grist de koek uit diens hand. Met een zwiep beland dat wat is overgebleven van de koek op een bed van weggegooid afval. Het geluid van de rand van de vuilnisbak resoneert door het lokaal.

Ik besluit de tikkende bom tot ontploffing te brengen. Dit om de veiligheid van de schreeuwer en de groep te waarborgen. Tijd om het lont wat extra snelheid mee te geven.

“Beter blijf je van andermans spullen af. Volgens mij werkt dat voor jouw spullen ook zo!?”

Een duidelijke verwachting en een poging om de schreeuwer een laatste keer tot reflectie aan te zetten. Meestal werkt het ook om wat te zeggen, in dit geval ‘de manier waarop’, wat niet wordt verwacht. Om te verwarren. Dit keer draait hij niet bij. Het snellont stevent op mij af. Er komt iets uit met dat hij niet zo wenst aangesproken te worden. Ik hoor mezelf nog iets zeggen als iets met ‘het goede voorbeeld geven’ en voor ik het weet vlieg ik door het lokaal.

De schreeuwer schrikt van zijn actie en snelt het lokaal uit. Onderweg schopt hij nog een kastdeur en veiligheidsglas kapot. Hij weet dat hij grenzen over is gegaan. En hij weet nu ook dat het veilig genoeg is zijn eigen gevoel van onveiligheid op een andere manier te uiten. Om na zijn fouten te oefenen. Oefenen verantwoordelijkheid te dragen voor gevoelens die niet van hem zijn. Energie die buiten het lokaal mag blijven. Bemoeienis die niet enkel over regels gaan.

Klasgenoten zijn geschokt, geschrokken. Onbegrip ont-moet begrip. Er ontstaat een open gesprek: “ik begrijp hem wel ergens. Hij vindt het moeilijk om zijn eigen fouten toe te geven. Maar het toegeven van fouten is niet stom. Het gaat niet over winnen, maar dat je ‘volwassen’ om kan gaan met de situatie.”

Een wijze les. In stilte geniet ik van de intentie die deze jongen neerzet! Na zijn betoog kijkt hij me aan. Hij lijkt bevestiging te zoeken. Met een glimlach herhaal ik kort wat ik hoor: oefenen in het leren maken van fouten, het ontleren van dat alles maar goed moet zijn. Het vraagt MOED, de moed je kwetsbaar op te stellen. En soms, soms doet dat nog pijn.

Medicatie en een kans

Nog maar net een boterham in mijn mond of ik hoor vanuit de achtervang (time-out) een hels kabaal. Met de eerste hap nog in mijn mond snel ik naar de ruimte waar het lijkt alsof er geen tafel meer staat. Nou ja, als ik binnen kom staat de helft nog overeind. Een jongen, niet breder dan de stoel zit ziedend in elkaar gedoken.

Ik ken hem nog van een jaar eerder. Hij is blijven zitten. Toen in mindere mate schoolrijp. Zijn emotionele ontwikkeling stond voorop en samen met wat heftige situaties thuis hebben we in samenspraak met de ouders besloten dat hij het eerste jaar zou gaan overdoen. Het gaat nu eigenlijk zó goed dat ik me verbaas dat juist hij nu in de achtervang zit.

Wanneer ik mijn hand op zijn schouder laat rusten voel ik dat hij kookt. In de vrieskou zou de damp van hem afstomen. Mijn hand is welkom. Hij kent de drill, veiligheid als doel.

Het achtervangformulier is wat ik als eerste pak. Zoekend naar een pen rek ik wat tijd. Tijd voor hem om afscheid te nemen van zijn grootste woede. Aarden. Ik pak een kruk en ga naast hem zitten. Het formulier leg ik op één van de tafels die nog overeind staan. Nog geen vraag gesteld en toch steekt hij van wal.

“Ik was druk.”

Met het oordeel dat dit natuurlijk niet alleen de reden kan zijn om hem naar een achtervang te sturen of waarom hij hier zit, vraag ik door.

“Ik voelde me druk. En ik luisterde niet naar de juf.”

Ah, het niet luisteren, altijd interessant. Want, waar heeft hij naar te luisteren en waar komt dat waar hij naar dient te luisteren uit voort? En wat als je weet dat wanneer hij druk is moeilijker kan luisteren, wat verwacht je dan van hem? Om de gehele situatie helder te krijgen en het te verkleinen tot een aanleiding blijf ik vragen, scherp samenvatten om hem te laten inleven.

“Ik werd boos.
Ik moest naar de gymzaal.
Nou ja, ik werd terug gestuurd!
Ik ben de hele dag al druk en dan ben ik storend.
De klas heeft er wel last van. Ik zag dat ze er last van hadden. Vooral G. & K.
Als ik druk ben laat ik me makkelijk mee gaan en doe ik mee.
Ik had de juf niet gehoord maar het kan dat ze me gewaarschuwd heeft.
Ik denk dat ik vanochtend geen medicatie op heb!?”

Zelf komt hij tot inzicht. Hij weet hoe het komt dat hij druk is en weet ook dat anderen er last van hebben. Het toffe aan dit soort gesprekken is dat je al soort van automatische piloot een kind weer on track helpt. Het ondersteunen in het ordenen van gedachten. Als je een kind door en door kent vergemakkelijkt dit het proces. Ik geniet van zijn eigen inzichten. Van woede is geen sprake meer, eerder schaamte. Hij ’weet’, voelt zijn geweten en denkt na over herstel.

“De volgende keer ga ik proberen gewoon te luisteren.
Misschien dat ik bij juf J. in de klas kan gaan zitten. Een escape nemen.
Ik wil proberen in de klas aan te sluiten en als het niet lukt ga ik naar meneer M.
Meneer M. omdat ik daar naartoe moet. Ik mocht niet naar de achtervang.”

Ik reken het goed, zijn biecht maar bovenal heldere reflectie. Het is fantastisch om zijn zelf herstellend vermogen in zo’n korte tijd te zien en te mogen ervaren. Wat is hij gegroeid. In mentaal opzicht dan, want qua lichaamsbouw lijkt het bijna alsof hij ergens door wordt kleingehouden.

We staan op. Op mijn voorstel om herstel in te zetten ging hij akkoord. We gaan naar de juf waar hij gaat luisteren of zijn vraag tot het weer aan mogen sluiten positief wordt beantwoord. Hij staat op en zonder dat ik iets hoef te zeggen worden tafels en stoelen recht gezet. De details verklappen dat hij weer geland is.

Als we de bocht om willen gaan loopt hij niets vermoedend tegen zijn eigen moeder aan. Met een mix van schrik en blijde verwondering kijkt hij zijn moeder aan die, een split second later, in haar zakken graait en een tussen haar vingers samengeknepen pil omhoog houdt.

“Jahaah jongen, die was je vergeten hè, vanmorgen.”

Ze legt uit dat toen ze terug kwam van haar werk zij de pil zag liggen. Direct is ze op haar fiets gesprongen en naar school gefietst. Haar ervaringen van eerder nog in gedachten.

pilVerrast neem hij de pil aan en ik heb een kort gesprek met moeder. Ook ik ben blij haar weer te zien en leg ons gesprek van net uit. Om de hoek komt ook de juf wat gehaast aangelopen. Met een korte, samengevatte versie vertel ik wat ik aantrof, het gesprek en geef ik het woord voor herstel aan hem. Met gebogen hoofd vertelt hij rustig over zijn drukte, het vergeten innemen van de medicatie en zijn wens om te herstellen.

De juf reageert resoluut. Eerder ingezette maatregelen waren niet voor niets, de gehele dag was het al een drama met hem en hij dient zijn consequentie maar te aanvaarden. Ik zie het hoofd iets verder naar beneden gaan. Het is natuurlijk zo dat de juf het gehele proces en het gesprek niet heeft meegekregen. Tegelijkertijd uit zij haar zorg: de gehele dag al onrust. Wat heeft zij nodig om te herstellen? Om weer het vertrouwen te hebben en kunnen geven? Welke schakel is hij in het geheel?

Als een professional aanvaardt hij zijn consequentie. Alleen dat al is een teken dat hij in staat zou zijn geweest om te herstellen. Want hij weet dat hij fout zat. Zijn kans op herstel wordt nu even uitgesteld. Hij weet dat hij nog genoeg kansen heeft en heeft gekregen. De kans dat hij zijn medicatie nog eens vergeet is aanwezig. Hopelijk heeft deze situatie hem bewust gemaakt dat hij ook uit zichzelf kan herstellen!

F-Day, operatie flip

Vandaag moet het dan gaan gebeuren. Het opnemen van de instructievideo’s voor het eerste hoofdstuk. En alles bewerken en klaarzetten voor volgende week. De voorbereidingen zijn getroffen en NU is tijd voor actie. Het is aan mij om alles te gaan neerzetten. Ik voel een gezonde spanning. En ergens de twijfel, mijn angst voor de toekomst: wat anderen wel niet van mijn film gaan vinden. Tegelijkertijd voel ik vreugde en plezier, plezier om te gaan spelen. Plezier om dat wat ik creëer weg te zetten, te delen met leerlingen en ouders. Om feedback te krijgen. Feedback dat mij naar een nieuwe laag van mijn ontwikkeling gaat brengen. Ik heb er zin in!

Tegen de middag een afspraak met mijn bovenschoolse manager/-leidinggevende.

In het verleden hebben we regelmatig met elkaar gespard, over de visie van ons en het onderwijs. Toentertijd zag ik hem regelmatig in de functie van regiedirecteur. Het is voor mij belangrijk om als onderdeel van een organisatie naast mijn leerlingen, ouders en collega’s ook de (soms helaas nog steeds hiërarchische) lagen boven mij te verkennen en ontdekken. Dat ik ook perspectief kan nemen en ‘weet’ vanuit welke visie geacteerd wordt.

Vandaag ‘kruipt hij in de huid van’. Zijn thema en vorm, mijn huid. Ik deel met hem wat ik doe en waar ik mee bezig ben. Deel welke doelen en opbrengsten we als projectgroep hebben gesteld. Welke doelen ik aan het einde schooljaar en in de toekomst behaald zou willen hebben. Een open dialoog is wat het wordt. Hij geeft zijn reactie, feedback, maar bovenal stelt hij veel vragen. Scherpe vragen ook, waardoor ik hem mee kan nemen in proces. We verkennen en delen missies en visie. We evalueren samen het proces, mijn werkzaamheden beschouwen en deze in een groter perspectief plaatsen. Die van de schoolontwikkeling.

Ondanks dat we beide sneller zouden willen, weten we ook dat de werkelijkheid trager gaat. Dat processen binnen school, inclusief mindset, niet in tijd te pakken zijn. Over vijf jaar moet het Online en Gepersonaliseerd Leren staan. Een vehicle om aan te kunnen sluiten op de ontwikkeling van onze leerlingen, ontwikkelings- en ervaringsgericht.

Niet iedere leerling is namelijk gebaat bij alleen een klassikale instructie. Juist onze vorm van onderwijs daagt ons uit om meer op de persoon, diens cognitieve stijl en leerstijl aan te sluiten. Gepersonaliseerd leren vraagt een andere, hernieuwde kijk op leren. Het vraagt een meer geïndividualiseerde vorm van leren waarbinnen leerlingen leren verantwoordelijk te worden en te zijn over hun eigen leerproces. De rol van de leraar verschuift daarmee van alleen kennisgever naar een meer coachende en ontwerpende rol: het samen construeren en bouwen van kennis en eigen wijsheden.

Het vraagt ook een effectieve voedingsbodem. En een middel om mijn onderwijspraktijk effectiever vorm te geven is dus ‘Flipping the Classroom’. Een vorm waarbij de instructie van de leraar het huiswerk is en het (huis)werk in de klas gemaakt wordt. Niet dat het zo innovatief is, edoch vernieuwend in onze praktijk. Wil ik een leerling ook didactisch leren kennen, begrijpen, hiaten kunnen duiden en hen verder brengen naar bijvoorbeeld een examen, vraagt dit van mij mijn onderwijsomgeving opnieuw vorm te geven.

Eén van de vragen is welke moeilijkheden ik ben tegengekomen. Het doet mij doen beseffen dat mijn eigen perfectionisme wellicht de grootste is. Het denken dat een barricade opwerpt om uiteindelijk te gaan beginnen en ‘gewoon’ doen. Dat overwinnen maakt dat ik voel dat ik (werk)flow kan ervaren. Doen is bewegingen, denken doet mij stilstaan.

Een volgende vraag is hoe ik anderen meeneem in het proces van Online Leren. Deze vraag is eigenlijk heel gemakkelijk te beantwoorden: de eerder vormgegeven studiedag is daar een voorbeeld van. Een voorbeeld van practice what you preach. Zonder zelf aanwezig te zijn heb ik, samen met input van collega’s, het ochtendprogramma vormgegeven tijdens de studiedag: flipinstructies via Office Mix gemaakt en werkbladen met doelen, vragen en vorm gefaciliteerd.

Ook het delen van good practices met elkaar is een vorm om collega’s mee te nemen in elkaars proces. Zo hebben we een statische ict@hetbredero-website en een ‘gepersonaliseerd leren’-Facebookgroep. En als laatste breng ik mijn ‘Online Maandag’ door op verschillende plekken binnen de scholen. Dat levert altijd gesprekken op waarin ik voel dat ik collega’s weet te motiveren, aan te zetten tot nieuwe inzichten of enkel deel waar ik mee bezig ben, waardoor er onbewust zaadjes worden geplant. Mindset of mindshift als het centrale thema. Inspiratie als sleutel.

Wanneer het gesprek wordt afgerond ga ik direct en geïnspireerd door na het gesprek te beginnen aan de opnames. ‘Het feest’ kan beginnen. Vanaf volgende week starten met flip MY classroom!

Zielloos

“Kankuhleier!”

Moeder ziet met lede ogen toe hoe haar zoon ziedend de klas uit stormt. De deur, die al bijna niet meer in zijn voegen hangt, wordt met brute kracht dichtgesmeten. Hij ijsbeert wat op de gang om vervolgens terug te keren in de klas. Achterin en geflankeerd door twee schotten gaat hij op de tafel die daar staat zitten. Hij lijkt uitgeput. Als moeder wat tegen hem wil zeggen volgt een schreeuwend: “praat niet tegen mij of ik sla met die bezem je kankuhhoofd door midden!”

Al twee uur is hij niet meer aanwezig in de groep. Hij heeft zelf de keus gemaakt om uit de klas te lopen en buiten wat te voetballen en te kletsen met een medeleerling. Ruimte is wat hij nodig heeft, zover is duidelijk. Frisse lucht.

Net voordat hij twee uur geleden de klas uitliep heeft hij een klein half uur rondjes gelopen door de groep. Elke vraag beantwoordde hij met dat hij zich druk voelde. Doorvragen had totaal geen zin. Hij blokkeerde zichtbaar, leek geen taal te hebben voor wat hij ervoer. Het bereiken van hem bereiken was een grotere uitdaging dan het beklimmen van de hoogste berg. In zijn ogen zag ik hem niet meer. Zielloos keek hij me wat aan. Zijn grens gaf hij duidelijk aan.

“Houd je bek mongool!”

Stil, waarnemen en beschikbaar zijn was wat mij te doen stond. Gelijktijdig speelt de gehele dag zich in mijn hoofd af. Hij kwam wat onrustig binnen. De aanvang van de dag is vervolgens rustig maar als de les begint volgt een ‘doordeinstructieheenroepenenvragen’-actie. Is het een roep om duidelijkheid? Is er thuis of voor school iets gebeurd dat zijn mindset heeft doen vastzetten?

Dat hij aandacht wil is duidelijk, ik geef het hem en kan de instructie redelijk vervolgen. Na de instructie besluit en vraagt hij om samen te werken. Een positieve werksfeer volgt waarbij ze elkaar en ook mij vragen stellen. Richting de afronding van de les voel ik hem wat onrustiger worden. Hij lijkt het einde aan te voelen, niet te weten wat er komt en eigenlijk te willen weten wat te doen. Smartrekenen is de laatste opdracht.

“Maar dat ga ik niet doen!”

Weerstand.

De vraag of hij het vak überhaupt wel eens gedaan heeft deel ik met hem. Nee. Dat biedt mogelijkheden! Met een kom op-beweging leid ik hem en naast mij ploft hij neer. In plaats van de kruk die ik voor hem klaar zette, pakt hij zijn eigen stoel. Het zijn de details die het hardst communiceren. Hij wil regie blijven houden.

Ik pak de laptop en open samen met hem het onlineprogramma. Na een basisuitleg gaat hij aan de slag. Door steeds minder fouten te maken deelt hij zijn ontwikkeling trots met mij. Zichtbaar groeit hij. Een brede glimlach prijkt op zijn gezicht. Hij kan de les positief afsluiten. Winst.

Na de pauze begint het ijsberen in de klas. De onrust is ontketend. Ook buiten het lokaal is er geen gesprek meer met hem mogelijk. Wat is er in de pauze, of zelfs voor school, gebeurd? Ik besluit zijn moeder te bellen. Ze herkent zijn gedrag, houding en zielloze blik. Samen besluiten we dat hij wordt opgehaald. Hoe graag hij ook op school wil blijven, rijp lijkt hij vandaag niet. Aan de telefoon legt moeder uit dat haar zoon zich had verheugd op de eerste twee uur. Hij dacht verzorging te hebben maar moeder legde hem op weg naar school uit dat hij dat pas in de middag zouden hebben. Daar, vóór school in de auto, blokkeerde hij. Het kan een mogelijke verklaring voor zijn onrust zijn.

Een klein half uur later loopt zijn moeder de klas binnen. Voor hem ogenschijnlijk onverwachts. Maar hij wil blijven, weet alleen niet hoe. De onrust groeit. Hij kijkt verschrikt op, kijkt mij woedend aan en snelt de klas uit.

“Kankuhleier!”

Aside

Pieken

Het is ergens wel een openbaring die ik vandaag had. Het moment dat ik me opnieuw bewust werd van het feit dat er pieken zijn in een schooljaar. Er wordt om mij heen al veel over gesproken. Ik word er zelfs wel eens wat onrustig van. Dan denk ik dat ik achter loop of mijn klassenmanagement niet op orde heb. Ik heb vaker gedacht: ‘waar maakt iedereen zich zo druk om’, en ook die vraag maakt dan weer onrustig.

En ook vandaag doe ik weer mee. De stress binnen de school is zo voelbaar: het meten aan elkaar groeit en daarmee transformeert mijn onrust in onzekerheid. Cito, methode gebonden toetsen, de voortgangsrapportages, sociaal-emotionele ontwikkelingen, alles in kaart brengen en zo gaat het maar door.

Er wordt veel over gesproken, vooral dus rondom rapportbesprekingen, ouderavonden of kerndocumentbesprekingen. Op een bepaald moment koos ik er voor om in mijn vrije tijd er voor mijn gezin te zijn en voor mijn eigen balans te gaan te kiezen. Mijn documenten waren niet af. Er werd gewaarschuwd, alsof het de normaalste zaak van de wereld zou zijn. Betaald kreeg ik voor deze opdracht, zo luidde uiteindelijk de boodschap. En deze boodschap was een openbaring. Bewust worden van het feit dat ik mee deed aan dat waar ik ver vandaan wilde blijven. Ik begreep ergens niet zo goed dat ik mezelf erin had laten slepen. En ook weer wel, met de stroom mee is een periode wel fijn en lijkt alles makkelijker te gaan.

Ik ben het beu om mee te doen in het elkaar bevragen of alles al af is. Meedoen om mezelf te legitimeren, ik ben er klaar mee. En het is nog eens een valse tegenstrijd ook, want ik ben alleen verantwoordelijk voor mezelf en voor de taak die ik mee krijg. Het is mijn verantwoordelijkheid deze taak in een schooljaar te volbrengen. Word ik als leerkracht niet vertrouwd, dan spelen er andere zaken die geheel buiten mijn cirkel van betrokkenheid liggen.

In het onderwijs ben ik nooit klaar. Er is na school altijd wel wat te doen, er komt van alles op mij af: vragen van ouders, werkgroepen of verslaglegging van situaties die zich de dag eerder hebben voorgedaan. Dat maakt onderwijs juist zo leuk, spannend en aantrekkelijk: de dynamische werkelijkheid die er voor zorgt dat geen dag hetzelfde is!

Vandaag merkte ik weer dat ik overdag geen moment heb gehad om even bij te komen. Constant pieken, alert en scherp zijn. Vanaf acht uur ’s ochtends vol aan de bak. De waan van de dag volgen. En, als het werk op school niet af komt is er nog een avond!? Ik maakte een keuze.

Oefenen in eigenaarschap: mezelf juist niet meer mee laten slepen door de waan van de dag en de verwachtingen die me overspoelden, maar leren surfen op de golven. Tegen de stroom in oefenen om dicht bij mezelf te blijven. Bij wie ik ben, wat ik kan en dicht bij mijn visie op onderwijs. Focus blijven houden op werkvreugde in plaats van stress!

De pieken loslaten, accepteren dat ik niet meer kan doen dan wat ik doe, mijn zaag scherp houden en het mogelijk oordeel in mijn richting horen als signaal van de ander. Dat ook de ander een verlangen heeft. Ook zij oefenen om zich vrij voelen. Ook zij zoekend naar een juiste balans tussen de pieken.